18 dec 2025
Kopieer citeerwijze ||
Deity Shoes, S.L. tegen Mundorama Confort, S.L., Stay Design, S.L.,
Geen minimum aan creatieve activiteit vereist voor gemeenschapsmodellen
Hof van Justitie EU 18 december 2025, IEF23200; IEFbe 4079; ECLI:EU:C:2025:983 (Deity Shoes tegen Mundorama Confort, S.L., Stay Design, S.L.). In dit modelrechtelijke geschil heeft Deity Shoes een vordering ingesteld tegen Mondurama Confort en Stay Design wegens vermeende inbreuk op ingeschreven en niet-ingeschreven gemeenschapsmodellen voor schoenmodellen. Mondurama Confort en Stay Design hebben hiertegen een reconventionele vordering in tot nietigverklaring ingesteld. Zij stellen dat de modellen van Deity Shoes niet voldoen aan de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter, omdat Deity Shoes zich slechts zou beperken tot de verkoop van producten die worden aangeboden door Chinese leveranciers. De Juzgado de lo Mercantil nr. 1 te Alicante heeft het Hof van Justitie verzocht om uitleg van de artikelen 4 tot en met 6 en 14 van Verordening (EG) nr. 6/2002, in het bijzonder over de voorwaarden voor modelrechtelijke bescherming.
Het Hof benadrukt dat voor modelbescherming uitsluitend de wettelijke criteria van nieuwheid en eigen karakter gelden. Het Hof maakt daarbij duidelijk dat er naast de voorwaarden over nieuwheid en eigen karakter geen aanvullende voorwaarden worden gesteld, zoals het aantonen van een minimum aan creatieve activiteit. Verder verduidelijkt het Hof hoe de voorwaarde van eigen karakter moet worden toegepast in een context van modetrends en standaardonderdelen van leveranciers. Het enkele feit dat een model uiterlijke kenmerken bevat die zijn ontleend aan modellen van leveranciers, en dat de ontwerper slechts ad-hoc aanpassingen heeft aangebracht met gebruikmaking van door die leveranciers aangeboden onderdelen, staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een eigen karakter. Modetrends beperken de vrijheid van de ontwerper niet op dezelfde wijze als technische of wettelijke vereisten, omdat modetrends niet blijvend van aard zijn. Zij kunnen de vrijheid van de ontwerper niet zodanig beperken dat al kleine verschillen tussen modellen volstaan om een andere algemene indruk te wekken bij de geïnformeerde gebruiker.
28. “Door in artikel 6, lid 2, van verordening nr. 6/2002 te verwijzen naar de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model, heeft de Uniewetgever ervoor willen zorgen dat er met die mate van vrijheid rekening wordt gehouden bij de beoordeling van de door het model gewekte algemene indruk, aangezien de mate van vrijheid kan worden beperkt door technische of wettelijke eisen. Deze wetgever heeft daarentegen niet vereist dat, om de bescherming te genieten die de artikelen 4 tot en met 6 van die verordening bieden, er niet alleen wordt aangetoond dat aan de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter is voldaan, maar ook dat het model het resultaat is van een minimum aan creatieve activiteit.”
33. “Gelet op een en ander dient op de eerste en de derde vraag te worden geantwoord dat verordening nr. 6/2002, in het bijzonder de artikelen 4 tot en met 6 juncto artikel 14 van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat, om de bescherming te genieten die een gemeenschapsmodel krijgt, de houder of ontwerper van een model naast het feit dat aan de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter is voldaan, niet hoeft aan te tonen dat het model het resultaat is van een minimum aan creatieve activiteit.”
39. “Bijgevolg kan het feit dat – zoals in het hoofdgeding het geval is – de aan de orde zijnde modellen uiterlijke kenmerken vertonen die vooraf zijn bepaald op basis van de modellen die in de catalogi van de leveranciers aan de ontwerper van de aan de orde zijnde modellen worden aangeboden, en dat de door de ontwerper aan deze modellen aangebrachte aanpassingen slechts ad hoc zijn en betrekking hebben op door die leveranciers aangeboden onderdelen, op zichzelf niet in de weg staan aan de erkenning van het eigen karakter van die modellen in de zin van artikel 6 van verordening nr. 6/2002.”
45. “Derhalve dient te worden geoordeeld dat modetrends de mate van vrijheid van de ontwerper niet zodanig beperken dat kleine verschillen tussen een of meer oudere modellen en het aan de orde zijnde model voldoende kunnen zijn om ervoor te zorgen dat dit model bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekt dan die oudere modellen.”
54. “Gelet op een en ander dient op de tweede en de vierde vraag te worden geantwoord dat artikel 6 van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat modellen uiterlijke kenmerken vertonen die vooraf zijn bepaald op basis van een model dat in de catalogus van een leverancier aan de ontwerper van die modellen wordt aangeboden, en dat de door de ontwerper aan die modellen aangebrachte aanpassingen slechts ad hoc zijn en betrekking hebben op door die leverancier aangeboden onderdelen, op zichzelf niet in de weg kan staan aan de erkenning van het eigen karakter van die modellen in de zin van dat artikel. Voorts kunnen modetrends de mate van vrijheid van de ontwerper niet zodanig beperken dat kleine verschillen tussen een of meer oudere modellen en het aan de orde zijnde model voldoende kunnen zijn om ervoor te zorgen dat dit model bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekt dan die welke door die oudere modellen wordt gewekt, en dus een eigen karakter heeft. De uit modetrends voortvloeiende kenmerken van een model zijn op zichzelf niet van minder belang voor de algemene indruk die dat model bij een dergelijke gebruiker wekt.”