Gepubliceerd op vrijdag 1 mei 2026
IEF 23523
Gerecht EU (voorheen GvEA) ||
29 apr 2026
Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026, IEF 23523; ECLI:EU:T:2026:298 (Wazdan Innovations tegen EUIPO), https://lsenr.minab.nl/artikelen/gerecht-eu-woordmerk-5-coins-mist-onderscheidend-vermogen-voor-spel-en-gokgerelateerde-producten-en-diensten

Gerecht EU: woordmerk '5 Coins' mist onderscheidend vermogen voor spel- en gokgerelateerde producten en diensten

Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23523; IEFbe 4213; ECLI:EU:T:2026:298 (Wazdan Innovations tegen EUIPO). Dit arrest betreft een beroep van Wazdan Innovations Ltd. tot vernietiging van de beslissing van de Vierde Kamer van Beroep van het EUIPO van 10 december 2024, waarbij de inschrijving van het woordmerk "5 Coins" werd geweigerd. De aanvraag was op 21 augustus 2023 ingediend door Wazdan Holding Ltd. voor producten en diensten in de klassen 9, 28, 35, 41 en 42 (Nice-classificatie), waaronder spelletjessoftware, elektronische spelen, loyaliteitsprogramma's, casino- en gokdiensten en softwareontwikkeling. De examinator had de aanvraag bij beslissing van 11 maart 2024 gedeeltelijk afgewezen op grond van zowel art. 7 lid 1 onder b) als onder c) UMVo. Na een door Wazdan doorgevoerde beperking van de lijst van producten en diensten bevestigde de Kamer van Beroep de weigering, maar uitsluitend op grond van het ontbreken van onderscheidend vermogen ex art. 7 lid 1 onder b) UMVo (Verordening (EU) 2017/1001), waarbij zij het beschrijvende karakter ex art. 7 lid 1 onder c) UMVo uitdrukkelijk buiten beschouwing liet. Een beperkt aantal categorieën, waaronder organisatie van sportevenementen, culturele activiteiten en ontwerp van onlinespellen, werd wel toegelaten. Wazdan stelde drie middelen aan: (1) schending van art. 7 lid 1 onder b) UMVo wegens onjuiste kwalificatie als "quasi-beschrijvend" teken en onjuiste toepassing, (2) schending van de beginselen van gelijke behandeling, behoorlijk bestuur en gewettigd vertrouwen wegens afwijking van eerdere EUIPO-beslissingen over vergelijkbare merken, en (3) motiveringsgebrek ex art. 94 lid 1 UMVo jo. art. 296 tweede alinea VWEU. Het Gerecht wees het primaire verzoek tot hervorming, strekkend tot inschrijving van het merk, af wegens onbevoegdheid: het EUIPO neemt geen formeel inschrijvingsbesluit dat vatbaar is voor beroep, en het Gerecht kan in het kader van zijn hervormingsbevoegdheid ex art. 72 lid 3 UMVo niet in de plaats treden van het EUIPO om een inschrijving te bevelen.

Ten gronde verwerpt het Gerecht alle drie de middelen en wijst het beroep integraal af, met veroordeling van Wazdan in de kosten. Ten aanzien van het eerste middel oordeelt het Gerecht dat de Kamer van Beroep art. 7 lid 1 onder b) UMVo niet onjuist heeft uitgelegd: de verwijzing naar het ontbreken van een rechtstreeks verband met de kenmerken van de betrokken producten of diensten diende uitsluitend ter onderbouwing van het ontbreken van onderscheidend vermogen en niet ter beoordeling van het beschrijvende karakter, dat een zelfstandige weigeringsgrond vormt onder sub c). Inhoudelijk oordeelt het Gerecht dat het teken "5 Coins" door het relevante publiek, met name gemiddeld oplettende consumenten geïnteresseerd in gok- en kansspelen, en voor de klassen 9 en 42 deels professioneel publiek met een bovengemiddeld oplettingsniveau, zal worden opgevat als een verwijzing naar de werking, regels of het doel van een spel, nu de term "coin" in de spelwereld een gebruikelijk element is dat dient om een spel te starten, een speleenheid te materialiseren of een beloning te vertegenwoordigen, ook in de vorm van virtuele valuta of cryptomunten. Het teken vervult daarmee niet de essentiële herkomstaanduidingsfunctie van een merk. Nu Wazdan zelf erkende dat munten op uiteenlopende wijzen kunnen bijdragen aan spelinhoud en zij geen concrete en onderbouwde aanwijzingen heeft aangedragen voor intrinsiek onderscheidend vermogen, faalt dit middel. Het tweede middel wordt verworpen op grond van vaste rechtspraak: de registreerbaarheid van een teken moet uitsluitend worden beoordeeld op basis van de UMVo zoals uitgelegd door de Unierechter, niet op basis van eerdere EUIPO-beslissingspraktijk; de Kamer van Beroep is niet gebonden aan beslissingen van lagere instanties van het EUIPO; de beginselen van gelijke behandeling en behoorlijk bestuur moeten worden verzoend met het legaliteitsbeginsel, zodat een verzoeker zich niet kan beroepen op een eventuele onrechtmatigheid begaan ten gunste van een ander; en een beroep op gewettigd vertrouwen vereist precieze, onvoorwaardelijke en concordante toezeggingen van een bevoegde Unie-instantie, waarvan bij een loutere beslissingspraktijk geen sprake is. Het derde middel faalt eveneens: het Gerecht maakt uitdrukkelijk onderscheid tussen motiveringsgebrek als formeel gebrek, waaraan de beslissing niet lijdt, nu de Kamer van Beroep de perceptie van het relevante publiek afdoende heeft geanalyseerd aan de hand van notoire feiten en concrete bewijselementen, en de gegrondheid van de motivering als materieel gebrek, dat in het kader van een motiveringsklacht niet aan de orde kan komen; voor zover Wazdans argumenten de grond van de zaak betreffen, zijn zij reeds verworpen in het kader van het eerste middel.

20       De beschrijvende tekens bedoeld in artikel 7, lid 1, onder c), van Verordening 2017/1001 missen eveneens onderscheidend vermogen in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van die verordening. Omgekeerd kan een teken ook om andere redenen dan zijn mogelijke beschrijvende karakter geen onderscheidend vermogen hebben in de zin van die laatste bepaling (arrest van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol tegen OHIM, C-51/10 P, EU:C:2011:139, punt 46).

29       Bovendien, wanneer het relevante publiek in het door het merk bestreken gebied een teken beschouwt als een teken dat informatie verschaft over de aard van de goederen of diensten die het aanduidt en niet als een teken dat de oorsprong van de betreffende goederen of diensten aangeeft, voldoet het merk niet aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, onder b), van Verordening 2017/1001 [zie arrest van 13 maart 2024, Quality First tegen EUIPO (MORE-BIOTIC), T-243/23, niet gepubliceerd, EU:T:2024:162, punt 25 en de daarin aangehaalde jurisprudentie].

30       In de onderhavige zaak oordeelde de Raad van Beroep dat de Engelse term ‘coin’ verwijst naar een geldstuk en dat munten in de spelwereld (digitaal, gokautomaten of kansspelen) een veelgebruikt element zijn, met name om een ​​spel te starten, een speeleenheid te vertegenwoordigen of een beloning te verkrijgen. Dit gebruik wordt bevestigd door wijdverbreide praktijken in videogames en kansspelen, ook in de vorm van virtuele valuta of cryptovaluta. Bovendien zijn sommige van de gamingsoftwarediensten die onder Klasse 42 vallen, naast het ontwerpen van online games en het ontwerpen en ontwikkelen van computerhardware, gericht op eindgebruikers op abonnementsbasis. De uitdrukking ‘5 coins’ zal daarom worden opgevat als verwijzend naar informatie over de aard van de producten of diensten en niet naar hun commerciële oorsprong. Bijgevolg is er geen bewijs om de bevinding van de Raad van Beroep, die met name is gebaseerd op specifieke voorbeelden van spellen waarin munten worden gebruikt en waarin de functies van munten in spellen worden beschreven, dat het algemeen gebruik van munten in spellen een bekend feit is, in twijfel te trekken.

31       Daarnaast bevestigt de aanvrager zelf dat, in de context van de betreffende producten en diensten, munten op verschillende manieren kunnen bijdragen aan de inhoud van spellen, bijvoorbeeld als hoofd- of aanvullend element van de visuele presentatie ervan.

32       Het moet daarom worden opgemerkt dat het 5 Coins-teken door het relevante publiek zal worden opgevat als een aanduiding met betrekking tot de werking van een spel, de regels ervan of het doel ervan, en niet als een aanduiding van de commerciële oorsprong van sommige van de producten of diensten waarvoor registratie is aangevraagd.

33       Bijgevolg heeft de Raad van Beroep, zonder alle mogelijke kenmerken van de goederen of diensten waarnaar het teken verwijst in detail te hoeven beschrijven, terecht onderzocht, zoals duidelijk blijkt uit paragraaf 30 hierboven en uit de paragrafen 26 tot en met 38 van de bestreden beslissing, hoe het betreffende teken door het relevante publiek wordt opgevat met betrekking tot de goederen en diensten waarvoor registratie wordt aangevraagd. De Raad heeft aldus aangetoond, en niet alleen op basis van de semantische inhoud zoals de aanvrager stelt, dat het teken door het relevante publiek kan worden opgevat als informatie over de aard van de betreffende goederen of diensten, zoals vereist door de in de paragrafen 28 en 29 hierboven aangehaalde jurisprudentie.

42       Allereerst dient te worden benadrukt dat, volgens de vaste jurisprudentie, de beslissingen betreffende de registratie van een teken als Europees handelsmerk die de kamers van beroep moeten nemen krachtens Verordening 2017/1001, vallen onder een verplichte bevoegdheid en niet onder een discretionaire bevoegdheid. De registreerbaarheid van een teken als Europees handelsmerk moet daarom uitsluitend worden beoordeeld op basis van Verordening 2017/1001, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, en niet op basis van eerdere jurisprudentie van de kamers van beroep [zie arresten van 26 april 2007, Alcon tegen OHIM, C-412/05 P, EU:C:2007:252, punt 65 en de daarin aangehaalde jurisprudentie, en van 24 oktober 2019, ZPC Flis tegen EUIPO – Aldi Einkauf (Happy Moreno choco), T-498/18, EU:T:2019:763, punt 125 en de daarin aangehaalde jurisprudentie].

43.       Uit de jurisprudentie blijkt bovendien duidelijk dat het EUIPO, in het licht van de beginselen van gelijke behandeling en goed bestuur, bij de beoordeling van een aanvraag tot registratie van een EU-merk rekening moet houden met reeds genomen beslissingen over soortgelijke aanvragen en met bijzondere zorgvuldigheid moet overwegen of dezelfde beslissing al dan niet had moeten worden genomen. Daarbij moeten de beginselen van gelijke behandeling en goed bestuur in overeenstemming worden gebracht met de rechtsstaat. Bijgevolg kan een aanvrager van een merkregistratie zich niet beroepen op een onrechtmatigheid die ten gunste van een ander is begaan om een ​​identieke beslissing te verkrijgen. Bovendien moet, met het oog op rechtszekerheid en met name goed bestuur, de beoordeling van elke aanvraag tot registratie rigoureus en grondig zijn om te voorkomen dat merken onrechtmatig worden geregistreerd. Deze beoordeling moet in elk afzonderlijk geval plaatsvinden. De registratie van een teken als handelsmerk is inderdaad afhankelijk van specifieke criteria, die van toepassing zijn in de context van de feitelijke omstandigheden van het betreffende geval, en die bedoeld zijn om te controleren of het betreffende teken niet onder een weigeringsgrond valt [zie arrest van 5 februari 2025, ExactCut/EUIPO (exactcut), T-280/24, niet gepubliceerd, EU:T:2025:136, punt 43 en de daarin aangehaalde jurisprudentie].

44       Bovendien moet worden opgemerkt dat het in strijd zou zijn met de toezichtstaak van de kamers van beroep, zoals gedefinieerd in de artikelen 66 tot en met 71 van Verordening 2017/1001, indien zij gebonden zouden zijn aan beslissingen van lagere instanties van het EUIPO [zie de arresten van 25 november 2020, Kerangus tegen EUIPO (APLA!), T-882/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:558, punt 70 en de daarin aangehaalde jurisprudentie, en van 19 mei 2021, Steinel tegen EUIPO (GluePro), T-256/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:279, punt 53 en de daarin aangehaalde jurisprudentie].

45       In het onderhavige geval, aangezien uit de analyse van het eerste verweer duidelijk blijkt dat de Raad van Beroep terecht heeft geconcludeerd dat de registratie van het aangevraagde merk is uitgesloten op grond van de absolute weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder b), van Verordening 2017/1001, kan de aanvrager zich niet rechtsgeldig beroepen op eerdere beslissingen van het EUIPO met betrekking tot andere merken. Bovendien, aangezien de door de aanvrager aangehaalde beslissingen zijn genomen door de examinatoren van het EUIPO, kunnen noch de Raad van Beroep noch het Gerecht gebonden zijn aan de door laatstgenoemden genomen beslissingen.