Gepubliceerd op maandag 20 april 2026
IEF 23483
HvJ EU ||
16 apr 2026
HvJ EU 16 apr 2026, IEF 23483; ECLI:EU:C:2026:296 (Stichting Onderhandelingen Thuiskopievergoeding, Stichting de Thuiskopie tegen HP Nederland BV, Dell BV, Stichting Overlegorgaan Blanco Informatiedragers), https://lsenr.minab.nl/artikelen/offline-streaming-copy-valt-niet-onder-de-thuiskopie-exceptie

Offline streaming copy valt niet onder de thuiskopie-exceptie

HvJ EU 16 april 2026, IEF 23483; IT 5213; ECLI:EU:C:2026:296 (Stichting Onderhandelingen Thuiskopievergoeding, Stichting de Thuiskopie tegen HP Nederland BV, Dell BV, Stichting Overlegorgaan Blanco Informatiedragers). In C-496/24 oordeelt het Hof dat een offline streaming copy die door de aanbieder van een streamingdienst op verzoek van de gebruiker op diens apparaat wordt geplaatst, niet onder de uitzondering voor kopieën voor privégebruik van artikel 5, lid 2, onder b, van richtlijn 2001/29 valt, wanneer de gebruiker technisch niet buiten die dienst om over die kopie kan beschikken en de rechthebbende de controle over het werk behoudt. Het Hof stelt eerst vast dat artikel 5, lid 5, van de richtlijn de materiële inhoud van de uitzondering niet bepaalt of uitbreidt, maar alleen de voorwaarden preciseert waaronder een reeds bestaande beperking of restrictie mag worden toegepast; daarom herformuleert het de prejudiciële vragen zo dat uitsluitend de uitlegging van artikel 5, lid 2, onder b, centraal staat. Vervolgens benadrukt het Hof dat deze uitzondering alleen betrekking heeft op reproductiehandelingen in de zin van artikel 2 en niet op handelingen die in wezen onder het recht van mededeling aan het publiek, met inbegrip van beschikbaarstelling voor het publiek, van artikel 3, lid 1, vallen. In de door de Hoge Raad beschreven situatie selecteert de gebruiker weliswaar het werk, maar de streamingaanbieder plaatst dat werk op een afgeschermd deel van het apparaat, bepaalt de encryptie, houdt het uitsluitend binnen de app toegankelijk en verhindert dat de gebruiker de kopie verplaatst, overdraagt of anderszins vrij gebruikt; bovendien kan de toegang worden geblokkeerd of de kopie worden verwijderd. Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter moet een dergelijke handeling daarom worden aangemerkt als een vorm van beschikbaarstelling voor het publiek, zodat zij niet onder de thuiskopie-exceptie valt.

Het Hof voegt daaraan toe dat ook indien de nationale rechter de betrokken handeling toch als reproductie zou kwalificeren, nog steeds niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, onder b. Voor toepassing van die bepaling is immers vereist dat de natuurlijke persoon de kopie voor privégebruik maakt, terwijl in deze constructie juist de aanbieder van de streamingdienst de kopie vervaardigt en de gebruiker pas ná die handeling toegang krijgt tot het werk; bovendien kan de gebruiker niet vrij over de kopie beschikken, omdat de rechthebbende via technische voorzieningen in de zin van artikel 6 de controle over toegang, gebruik en voortbestaan van de kopie behoudt. In die omstandigheden kan de offline streaming copy volgens het Hof in beginsel niet als een „kopie voor privégebruik” worden aangemerkt. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag preciseert het Hof dat het voor de toepasselijkheid van de uitzondering niet beslissend is of voor het maken of gebruiken van de offline streaming copy al een vergoeding krachtens licentie aan de rechthebbende wordt betaald; zo’n vergoeding verandert niets aan de vraag of de uitzondering van toepassing is. Beslissend blijft of de rechthebbende via technische voorzieningen controle over het werk heeft behouden en daardoor het gebruik binnen de normale exploitatie van dat werk kan sturen. De slotsom luidt dan ook dat een afgeschermde offline kopie binnen een streamingdienst, waarover de gebruiker niet vrij kan beschikken en waarover de rechthebbende controle behoudt, geen thuiskopie in de zin van artikel 5, lid 2, onder b, van richtlijn 2001/29 is.

37   Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, die daarbij rekening dient te houden met alle relevante elementen, moet de beschikbaarstelling van een beschermd werk door middel van een offline streaming copy door de aanbieder van een streamingdienst op het apparaat van de eindgebruiker en op diens verzoek dus worden beschouwd als een beschikbaarstelling van een werk voor het publiek op zodanige wijze dat dit voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk is in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29.

38   In een dergelijk geval kan de betrokken handeling niet worden aangemerkt als een reproductiehandeling in de zin van artikel 2 van deze richtlijn, zodat deze handeling, overeenkomstig hetgeen in punt 25 van het onderhavige arrest is uiteengezet, niet binnen de werkingssfeer van artikel 5, lid 2, onder b), van die richtlijn kan vallen.