Gepubliceerd op donderdag 22 januari 2026
IEF 23234
Hof Den Haag ||
20 jan 2026
Hof Den Haag 20 jan 2026, IEF 23234; ECLI:NL:GHDHA:2026:55 ([appellant ] c.s. tegen BMW), https://lsenr.minab.nl/artikelen/opheffingskortgeding-over-beslag-op-bmw-voertuigen-na-brand-op-de-fremantle-highway

Uitspraak ingezonden door Hidde Koenraad, Boekx Advocaten.

Opheffingskortgeding over beslag op BMW-voertuigen na brand op de Fremantle Highway

Hof Den Haag 20 januari 2026, IEF 23234; ECLI:NL:GHDHA:2026:55 ([appellant ] c.s. tegen BMW). Het hof beslist in hoger beroep in een opheffingskortgeding dat het door BMW gelegde conservatoire beslag tot afgifte op BMW-voertuigen afkomstig van de Fremantle Highway niet wordt opgeheven. De appellanten hadden 260 voertuigen gekocht; BMW had beslag gelegd op 253 voertuigen (246 bij Womy en 7 bij 3B Exclusief). Het hof stelt voorop dat in kort geding moet worden afgestemd op een bodemuitspraak over hetzelfde geschilpunt tussen dezelfde partijen, behoudens kennelijke misslag of zodanig gewijzigde omstandigheden dat de bodemrechter anders zou hebben beslist. Dat afstemmen is hier leidend, omdat de rechtbank in de bodemprocedure op 30 juli 2025 [IEF 22842] reeds (samengevat) voor recht heeft verklaard dat (de meeste) appellanten inbreuk maakten op BMW’s Unie-merken en -modellen door het aanbieden/verhandelen/voorraad houden/in- of uitvoeren van de voertuigen, met een inbreukverbod, opgave, recall en een bevel tot afgifte ter vernietiging (niet uitvoerbaar bij voorraad), terwijl één vennootschap ([appellant 3]) van die bevelen werd uitgezonderd omdat zij niet betrokken werd geacht. Tegen deze achtergrond bekrachtigt het hof in de kern het eerdere kortgedingvonnis van 15 juli 2024 [IEF 22134] waarin de vorderingen tot opheffing van het beslag waren afgewezen en in reconventie een verbod/opgave/recall was toegewezen.

Inhoudelijk volgt het hof, door afstemming op het bodemvonnis, dat uitputting (art. 15 lid 1 UMVo en art. 21 UModVo) ontbreekt, omdat de voertuigen vóór verkoop aan appellanten voortdurend T1-status (niet-Uniegoederen) hadden en dus niet door of met toestemming van BMW in de EER in het vrije verkeer waren gebracht; “nieuwe feiten” over gecorrigeerde facturen en een vermeend eigendomsvoorbehoud zouden daaraan niet afdoen omdat die de douanestatus niet raken. Ook neemt het hof het oordeel over dat de voertuigen zó zijn aangeboden dat zij noodzakelijkerwijs in de EU in de handel zouden worden gebracht (het Class International-criterium), zodat sprake is van inbreukmakende handelingen. Het betoog dat het beslag onder de voorwaarde van verkoop buiten de EER zou moeten worden opgeheven faalt (i) formeel omdat geen (duidelijk uitgewerkte) subsidiaire vordering tot voorwaardelijke opheffing is ingesteld en (ii) materieel omdat dit niet strookt met het bodemvonnis (waaronder het oordeel dat ook elders strenge veiligheidsvoorschriften gelden en dat het belang bij verhandeling buiten de EER onvoldoende is onderbouwd). De gestelde “Alpina/Japan”-feiten leveren evenmin een relevante wijziging van omstandigheden op; het hof acht niet aannemelijk dat BMW daarmee inconsistent handelde en stelt mede vast dat die Alpina-voertuigen inmiddels zijn vernietigd. Toetsend aan art. 705 lid 2 Rv oordeelt het hof dat BMW’s vordering tot afgifte (ter vernietiging) daardoor niet summierlijk ondeugdelijk is en dat een belangenafweging het beslag laat prevaleren, mede gezien (gestelde en met expertises onderbouwde) veiligheidsrisico’s, het onderzoeksbelang zolang niet is verhandeld en het feit dat appellanten wisten dat zij een risicovolle aankoop deden. Het hof corrigeert wel het vonnis in zoverre dat de reconventionele vorderingen van BMW jegens [appellant 3] worden afgewezen (afstemming op het bodemvonnis), en het hof past een hogere proceskostenbegroting toe: in eerste aanleg wordt uitgegaan van het indicatietarief voor een complex kort geding (niet “normaal”) en in hoger beroep worden kosten (incl. incidenten ex art. 22 Rv) begroot en toegewezen zoals in het dictum uitgewerkt.

7.14

Het hof overweegt als volgt. BMW heeft voldoende gemotiveerd betoogd dat Alpina en Nicole Racing zelfstandige ondernemingen zijn, op grond waarvan het hof niet aannemelijk acht dat zij onderdeel van het BMW-concern zijn. Alpina bouwt als zelfstandig autofabrikant, met BMW voertuigen als basis, kleine series BMW Alpina voertuigen. Uit een verklaring van de president van Nicole Racing blijkt dat zij in oktober 2023 de Alpina Voertuigen uit Eemshaven diende weg te halen en deze naar Japan heeft vervoerd. In december 2023 is Nicole Racing bekend geraakt met een verkoopstop die BMW had afgekondigd. Tegen deze achtergrond heeft [appellant ] c.s. onvoldoende aannemelijk gemaakt dat BMW op de hoogte was van het transport van de Alpina voertuigen naar Japan en het tentoonstellen van een exemplaar daarvan in een showroom. De verzending van een optioneel onderdeel is daarvoor ook een onvoldoende aanwijzing. Daaruit valt niet zonder meer af te leiden dat BMW er mee bekend was dat dat onderdeel bestemd was voor een voertuig van de Fremantle Highway. De Alpina voertuigen zijn inmiddels allemaal vernietigd, blijkt uit vernietigingsrapporten die BMW heeft overgelegd. Dit feitencomplex is dan ook onvoldoende om te kunnen spreken van een inconsistente handelwijze van BMW ten aanzien van de veiligheid en bruikbaarheid van enerzijds de Voertuigen en anderzijds de Alpina voertuigen. Deze feiten hadden naar het voorlopig oordeel van het hof dan ook niet tot een ander oordeel in het Bodemvonnis geleid.

7.15

In de derde plaats, voor zover er nog ruimte zou zijn voor een eigen oordeel van het hof, geldt het volgende. Voor opheffing van het beslag is vereist dat de vordering van BMW tot afgifte van de Voertuigen summierlijk ondeugdelijk is gebleken in de zin van artikel 705 lid 2 Rv. Uit de beslissing in het Bodemvonnis, waarin de afgifte ter vernietiging is toegewezen, en de hiervoor gegeven voorlopige oordelen over de nieuwe feiten die [appellant ] c.s. heeft aangedragen volgt, dat de kans bestaat dat die vordering ook in hoger beroep in de bodemprocedure wordt toegewezen. Van een summierlijk ondeugdelijke vordering is derhalve geen sprake.

7.16

Een afweging van de belangen van partijen brengt daarbij mee dat het beslag op de Voertuigen niet wordt opgeheven totdat daarop in de bodemprocedure definitief wordt beslist. Een conservatoir beslag strekt er naar zijn aard toe te waarborgen dat indien een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, die veroordeling ook daadwerkelijk ten uitvoer gelegd kan worden, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade kan worden aangesproken4. [appellant ] c.s. hebben (slechts) een financieel belang bij de gevorderde opheffing van het beslag: de waarde neemt af naarmate er meer tijd verstrijkt sinds het bouwjaar. [appellant ] c.s. wil de voertuigen daarom zo snel mogelijk verhandelen. Het is voorshands echter niet uitgesloten dat in het hoger beroep zal worden geoordeeld dat het onrechtmatig is om de Voertuigen waar dan ook ter wereld in het verkeer te brengen. BMW heeft gesteld en met expertise rapporten onderbouwd dat de Voertuigen veiligheidsrisico’s voor de gebruiker geven. De aard van deze risico’s betekent dat terughoudendheid geboden is bij een beslissing tot opheffing van het beslag. Nader onderzoek aan de Voertuigen is ook alleen mogelijk als ze nog niet zijn verhandeld. Verder speelt bij die belangenafweging een rol dat [appellant ] c.s. ten tijde van de koop van de Voertuigen ermee bekend was dat BMW zich verzette tegen de verkoop voor andere doeleinden dan recycling en voornemens was daartegen op te treden. Daarbij is van minder belang dat BMW zich toen nog niet specifiek op de BMW-merken en modellen had beroepen. [appellant ] c.s. waren zich er daardoor van bewust dat zij een risicovolle investering deden. Ten slotte is van belang dat niet gesteld en niet aannemelijk is dat BMW geen verhaal biedt voor eventuele schade ten gevolge van het beslag als zij daarvoor aansprakelijk zou blijken te zijn. Afweging van alle belangen leidt tot de slotsom dat de belangen van BMW en derden tot handhaving van het beslag op dit moment prevaleren boven het financiële belang van [appellant ] c.s.