Gepubliceerd op donderdag 14 mei 2026
IEF 23551
Rechtbank Den Haag ||
1 mei 2026
Rechtbank Den Haag 1 mei 2026, IEF 23551; ECLI:NL:RBDHA:2026:10389 (Volkswagen tegen DHL c.s.), https://lsenr.minab.nl/artikelen/rb-den-haag-overweegt-prejudiciele-vraag-aan-hoge-raad-over-rechtsmacht-bij-inzageverzoeken-tegen-derden-ex-art-195a-rv

Rb. Den Haag overweegt prejudiciële vraag aan Hoge Raad over rechtsmacht bij inzageverzoeken tegen derden ex art. 195a Rv

Rb. Den Haag 1 mei 2026, IEF 23551; ECLI:NL:RBDHA:2026:10389 (Volkswagen tegen DHL c.s.). De Rechtbank Den Haag heeft in een IE-procedure tussen Volkswagen AG en verschillende DHL-entiteiten aangekondigd prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te willen stellen over de uitleg van art. 197 lid 1 Rv in samenhang met het nieuwe inzagerecht van art. 195a Rv. Volkswagen, houdster van meerdere Uniemodellen voor autosleutels, vermoedde dat via een door de Duitse douane onderschepte zending van 350 autosleutels inbreuk werd gemaakt op haar modelrechten. De zending was bestemd voor Metafa Holland B.V. en werd vervoerd binnen het DHL-netwerk. Nadat de goederen waren vernietigd en Metafa betrokkenheid had ontkend, verzocht Volkswagen DHL c.s. op grond van art. 195a Rv om verstrekking van gegevens waarmee de identiteit van de daadwerkelijke inbreukmaker(s) kon worden vastgesteld. Volkswagen stelde dat zij deze informatie nodig had om haar intellectuele-eigendomsrechten effectief te kunnen handhaven. DHL c.s. voerde onder meer een bevoegdheidsverweer en stelde dat ten aanzien van de Duitse DHL-entiteiten niet de Nederlandse rechter, maar de Duitse rechter bevoegd was op grond van de Brussel I-bis-Verordening.

De rechtbank stelt vast dat met de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht het voormalige inzagerecht van art. 843a Rv is geïntegreerd in de regeling van voorlopige bewijsverrichtingen en dat art. 195a Rv sindsdien uitdrukkelijk voorziet in inzageverzoeken tegen derden. De centrale vraag is volgens de rechtbank hoe art. 197 lid 1 Rv moet worden uitgelegd in gevallen waarin een verzoek ex art. 195a Rv wordt gericht tegen een derde die niet de (beoogde) wederpartij in de bodemprocedure is. Meer specifiek rijst de vraag of met “de zaak” in art. 197 lid 1 Rv wordt bedoeld: (i) de toekomstige bodemprocedure tussen verzoeker en de vermeende IE-inbreukmaker, of (ii) de procedure tussen verzoeker en de derde van wie inzage wordt verlangd. De rechtbank overweegt dat de parlementaire geschiedenis van de Wet geen eenduidig antwoord geeft. Enerzijds lijkt de wetgever ervan uit te gaan dat een inzageverzoek tegen een derde onderdeel kan zijn van een reeds lopende of toekomstige hoofdzaak, anderzijds wordt in de wetsgeschiedenis ook gesproken over een zelfstandige verzoekschriftprocedure tussen verzoeker en derde. Volgens de rechtbank is het bovendien wetssystematisch niet vanzelfsprekend dat art. 197 Rv zelfstandig rechtsmacht aan de Nederlandse rechter zou creëren wanneer op grond van de Brussel I-bis-Verordening geen rechtsmacht bestaat ten aanzien van een in het buitenland gevestigde derde. De rechtbank acht beantwoording van deze rechtsvraag van groot belang voor de praktijk, mede omdat in grensoverschrijdende IE-zaken regelmatig inzage wordt verlangd van buitenlandse logistieke of digitale dienstverleners. Daarom spreekt de rechtbank het voornemen uit om de Hoge Raad prejudicieel te vragen of in geval van een verzoek ex art. 195a Rv “de zaak” in art. 197 lid 1 Rv moet worden uitgelegd als de zaak tussen verzoeker en de (beoogde) wederpartij in de bodemprocedure, dan wel als de zaak tussen verzoeker en de derde. Partijen krijgen eerst gelegenheid zich bij akte uit te laten over het voornemen en de formulering van de vraag; iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Voornemen om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad

4.9.

In deze zaak zijn de voor de bevoegdheid van de rechtbank relevante feiten overzichtelijk; de vraag over de uitleg van artikel 197 Rv is een rechtsvraag. Het zou voor partijen lang duren en kostbaar zijn als deze vraag pas na een hoger beroep door de Hoge Raad worden beantwoord. Daarom wil de rechtbank de rechtsvraag die in deze zaak beslissend is voor de vraag of haar rechtsmacht toekomt, direct aan de Hoge Raad voorleggen.

4.10.

De rechtbank is niet bekend met andere lopende zaken waarin deze vraag speelt. Nu deze vraag van belang is voor de beoordeling van de rechtsmacht bij ieder verzoek op grond van artikel 195a Rv, waarbij in het buitenland gevestigde partijen zijn betrokken, en dit een nieuwe verzoekschriftprocedure betreft, ingevoerd bij de inwerkingtreding van de Wet modernisering en vereenvoudiging bewijsrecht, dient deze vraag tevens om onduidelijkheden in de wetgeving die kunnen leiden tot rechtsonzekerheid weg te nemen. Een antwoord op deze vraag is dus niet alleen in deze zaak rechtstreeks van belang voor de beslechting van het geschil, maar ook voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voorvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet (artikel 392 lid 1, aanhef en sub, Rv). In zaken betreffende intellectuele eigendomszaken wordt veelvuldig om inzage – ook onder derden – verzocht en spelen – gelet op de vaak grensoverschrijdende geschillen – bij uitstek vragen omtrent de rechterlijke bevoegdheid. In het licht hiervan heeft de praktijk er baat bij dat duidelijkheid komt over deze vraag inzake artikel 197 lid 1, eerste volzin Rv.

4.11.

De rechtbank is voornemens de Hoge Raad de volgende vraag te stellen:

Dient – in geval van een verzoek ex artikel 195a Rv – ‘de zaak’ in artikel 197 lid 1, eerste volzin Rv te worden uitgelegd als de zaak tussen verzoeker en de (beoogde) wederpartij van verzoeker in de bodemprocedure of de zaak tussen verzoeker en de derde?

4.12.

Partijen mogen zich bij akte uitlaten over het voornemen om deze vragen te stellen en over de inhoud van de te stellen vragen. De rechtbank houdt de zaak daarvoor aan tot donderdag 28 mei 2026.