Gepubliceerd op woensdag 29 april 2026
IEF 23508
Rechtbank Midden-Nederland ||
8 apr 2026
Rechtbank Midden-Nederland 8 apr 2026, IEF 23508; ECLI:NL:RBMNE:2026:1658 (([eiseres] tegen [gedaagde])), https://lsenr.minab.nl/artikelen/rb-midden-nederland-geen-inbreuk-op-woordmerk-of-handelsnaam

Rb. Midden-Nederland: Geen inbreuk op woordmerk of handelsnaam

Rb. Midden-Nederland 8 april 2026, IEF23508; ECLI:NL:RBMNE:2026:1658 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft in deze zaak geoordeeld over een geschil tussen [eiseres] en [gedaagde] over vermeende merkinbreuk en handelsnaaminbreuk. [eiseres] exploiteert een juridisch netwerk, detacheert juristen en is houdster van een woordmerk dat ook als handelsnaam wordt gebruikt. [gedaagde] houdt zich eveneens bezig met het detacheren van juristen. Zij gebruikt een handelsnaam en logo waarin deels dezelfde woorden voorkomen, aangevuld met een werkwoord en vormgegeven in een zogenoemde “I love”-stijl. [eiseres] vordert in kort geding een verbod op het gebruik van deze handelsnaam en het logo, plus nevenvoorzieningen. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang aanwezig, gezien de gestelde voortdurende inbreuk en de lopende activiteiten van partijen. Bij de inhoudelijke beoordeling stelt de rechter voorop dat het woordmerk van [eiseres] bestaat uit beschrijvende elementen. Deze verwijzen direct naar de aard van de juridische diensten en de manier waarop die worden georganiseerd. Het merk heeft daarom van huis uit een zeer zwak onderscheidend vermogen. Volgens [eiseres] is door gebruik vanaf 2020 enig onderscheidend vermogen ontstaan. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat sprake is van een zekere toename van onderscheidend vermogen door gebruik, maar oordeelt dat onvoldoende is onderbouwd dat deze toename zodanig is dat het relevante publiek het merk met één specifieke onderneming associeert. Daardoor blijft de beschermingsomvang van het merk en de handelsnaam beperkt. Daarbij weegt mee dat beschrijvende aanduidingen beschikbaar moeten blijven voor andere marktpartijen. Bij de beoordeling van de gestelde merkinbreuk op grond van artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE stelt de voorzieningenrechter vast dat de diensten van partijen weliswaar soortgelijk zijn. Ook is er enige overeenstemming tussen de gebruikte aanduidingen. Toch wegen de verschillen in totaalindruk zwaarder. Het teken van [gedaagde] bevat een extra woord dat visueel en auditief opvalt. Daarnaast verschilt de betekenis duidelijk. Gezien het zwakke (en slechts in beperkte mate toegenomen) onderscheidend vermogen van het merk van [eiseres] en het ontbreken van concrete verwarringsgevallen, acht de rechter verwarringsgevaar niet voldoende aannemelijk.

De grondslag van artikel 2.20 lid 2 sub c BVIE slaagt evenmin. Er is niet aangetoond dat het merk van [eiseres] een bekend merk is bij een aanmerkelijk deel van het relevante publiek. Voor de handelsnaaminbreuk toetst de voorzieningenrechter aan artikel 5 Handelsnaamwet. Daarbij sluit hij aan bij het beoordelingskader uit HR 19 februari 2021 (ECLI:NL:HR:2021:269). De rechter kijkt onder meer naar het beschrijvende karakter van de handelsnaam, het beperkte onderscheidend vermogen, de aard en overlap van de ondernemingen en de manier waarop de namen in de praktijk worden gebruikt. Ook het ontbreken van concrete verwarringsgevallen speelt een rol. Hoewel partijen actief zijn in dezelfde sector en hun activiteiten deels overlappen, zijn de verschillen in naamgebruik en presentatie groot genoeg. Daarom is verwarringsgevaar niet voldoende aannemelijk. Het beschrijvende karakter van de gebruikte woorden weegt hierbij zwaar. Ten aanzien van het logo overweegt de voorzieningenrechter dat uitsluitend het huidige logo wordt beoordeeld. Het eerder gebruikte logo is door [gedaagde] vrijwillig aangepast en het is niet aannemelijk dat zij dat oude logo opnieuw zal gebruiken. Het huidige logo sluit qua vormgeving aan bij een internationaal bekende “I love”-constructie en roept een eigen betekenis op, die afwijkt van het woordmerk van [eiseres]. Het relevante publiek zal het logo als één geheel waarnemen en niet opsplitsen in afzonderlijke woorden. Daarom is ook via het logo geen sprake van merkinbreuk of handelsnaaminbreuk. Het beroep op onrechtmatige daad wordt afgewezen, omdat [eiseres] geen zelfstandige feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die, los van de gestelde merk- en handelsnaaminbreuk, tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW kunnen leiden. Omdat geen van de aangevoerde grondslagen slaagt, wijst de voorzieningenrechter alle vorderingen af. [eiseres] wordt daarbij veroordeeld in de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv, begroot op € 8.124.

3.10 Er bestaat enige overeenstemming tussen het door [gedaagde] gebruikte teken (haar handelsnaam [gedaagde] ) en het woordmerk [eiseres. Maar dat daardoor verwarringsgevaar ontstaat, is niet aannemelijk. Voor dat oordeel is allereerst van belang dat het woordmerk [eiseres] weinig onderscheidend vermogen heeft en dus beperkte bescherming geniet. Er is enige overeenstemming, omdat [gedaagde] in haar handelsnaam ook de woorden [woord] en [woord] gebruikt, maar [gedaagde] heeft daar een woord tussengevoegd, namelijk het werkwoord [woord] . [woord] is van de drie woorden het meest opvallende. De handelsnaam [handelsnaam] verschilt visueel en auditief duidelijk van het woordmerk [eiseres] en heeft ook een andere betekenis. Alleen al daardoor bestaat er geen verwarringsgevaar. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat van daadwerkelijke verwarring niet is gebleken. [eiseres] heeft slechts één relatie genoemd die iets heeft gezegd over op elkaar lijkende namen, maar uit het overgelegde screenshot (productie 24) blijkt niet dat die relatie [gedaagde] heeft verward met [eiseres].