Gepubliceerd op vrijdag 30 januari 2026
IEF 23252
Gerecht EU (voorheen GvEA) ||
28 jan 2026
Gerecht EU (voorheen GvEA) 28 jan 2026, IEF 23252; ECLI:EU:T:2026:47 (ABB Asea Brown Boveri Ltd tegen EUIPO), https://lsenr.minab.nl/artikelen/weigering-van-het-uniewoordmerk-ecoguard-wegens-beschrijvend-karakter

Weigering van het Uniewoordmerk ‘EcoGuard’ wegens beschrijvend karakter

Gerecht EU 28 januari 2026, IEF 23252; ECLI:EU:T:2026:47 (ABB Asea Brown Boveri Ltd tegen EUIPO). Het bedrijf ABB Asea Brown Boveri Ltd had een aanvraag ingediend voor de inschrijving van een woordmerk “EcoGuard”. Deze werd geweigerd door de kamer van beroep, omdat het een beschrijvend karakter heeft en onderscheidend vermogen mist. ABB ging hiertegen in beroep bij het Gerecht. ABB verzocht het Gerecht de bestreden beslissing van het EUIPO te vernietigen en het Bureau te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. In haar vorderingen betoogde zij dat het EUIPO door onjuiste interpretatie van artikel 7(1)(b) en artikel 7(1)(c) van Verordening (EU) 2017/1001 de merknaam “EcoGuard” ten onrechte als beschrijvend had aangemerkt. Zij voerde daarnaast aan dat de kamer van beroep de beginselen van gelijke behandeling en behoorlijk bestuur niet had nageleefd.

De verzoeker betoogt dat de kamer van beroep de onderdelen “Eco” en “Guard” verkeerd heeft geïnterpreteerd. Het Gerecht stelt vast dat het EUIPO terecht heeft geoordeeld dat de combinatie van de onderdelen “Eco” en “Guard” niet de vereiste onderscheidende karaktereigenschappen bezit om als EU-handelmerk te kunnen dienen. Het Gerecht oordeelde dat de term vooral bestaat uit beschrijvende elementen die door het relevante publiek worden gezien als aanduidingen van ecologische bescherming en dus in eerste instantie omschrijvend zijn voor de aard of de kenmerken van de betrokken goederen of diensten. Het feit dat het aangevraagde merk beschrijvend van aard is, is voldoende om aan te nemen dat het onderscheidend vermogen mist. Het verweer van de verzoeker wat betreft de schending van beginselen van gelijke behandeling en behoorlijk bestuur wordt ook verworpen. Beslissingen van het EUIPO worden niet genomen op basis van discretionaire bevoegdheid, maar op grond van Verordening 2017/1001. In dit geval was de kamer van beroep volledig gerechtigd om te oordelen dat het aangevraagde woordmerk beschrijvend. Beslissingen moeten alleen worden getoetst aan Verordening 2017/1001 en niet aan eerdere bestuursrechtelijke praktijk. Een aanvrager kan zich bovendien niet beroepen op een mogelijke fout ten gunste van een ander om zelf ook registratie te krijgen. Het Gerecht verwerpt daarom het beroep en bevestigt de beslissing van de kamer van beroep van het EUIPO.

59. “In the present case, since it has been held, in paragraph 54 above, that the mark applied for was descriptive of the goods covered for the purposes of Article 7(1)(c) of Regulation 2017/1001 and that that ground alone justifies the refusal of registration, it is no longer necessary to examine the merits of the plea alleging infringement of Article 7(1)(b) of that regulation.”

62. “It should be borne in mind that decisions concerning the registration of a sign as an EU trade mark which EUIPO takes under Regulation 2017/1001 are adopted in the exercise of circumscribed powers and are not a matter of discretion. Accordingly, the legality of decisions of the Boards of Appeal must be assessed solely on the basis of that regulation, as interpreted by the EU judicature, and not on the basis of a previous administrative practice (judgment of 26 April 2007, Alcon v OHIM, C‑412/05 P, EU:C:2007:252, paragraph 65).”