DOSSIERS
Alle dossiers

Rechtspraak  

IEF 5999

Schorsing

Rechtbank ’s-Gravenhage,16 april 2008, HA ZA 07-2285, Schlumberger Holdings Ltd tegen Electromagnetic Geoservices (met dank aan Ruud van der Velden, Lovells)

Octrooirecht. Werkwijze voor het bepalen van de aard van onderaardse reservoirs. Gestelde nietigheid en misleidende mededelingen. Schorsing totdat in de oppositie in hoogste instantie zal zijn beslist.

Lees het vonnis hier.

IEF 7200

The European Central Bank vs. Document Security Systems, Inc.

District Court of The Hague, 12 March 2008, Case number / Cause-list number: 269923 / HA ZA 06-2495, The European Central Bank versus Document Security Systems, Inc.

By means of a judgment having immediate effect, ECB requests the annulment of European patent 0 455 750 B1, pertaining to a “Method of making a nonreplicable document", for the Netherlands, ordering DSS to pay the procedural costs, including the translation costs. 3.2. The underlying reason for ECB’s claim is that, in its opinion, the patent is null and void as the subject of the patent is not covered by the content of the original application, the invention is not new, and in addition there is a lack of inventive step.

The District Court of The Hague concludes that EP 750 is valid so that its nullification claimed by ECB must be dismissed.

Read the entire judgement here. IEFenglish

IEF 5966

Olanzapine

zyprexa.jpgVoorzieningenrechter Rechtbank Den Haag 7 april 2008, KG ZA 08-63, Eli Lilly tegen Ratiopharm.

Kort geding octrooi-inbreuk; onvoldoende concrete aanwijzingen dat inbreuk zal worden gemaakt; proceskostenvergoeding ad € 110.000.

Eli Lilly is houder van een Europees octrooi en een daarop verleend aanvullend beschermingscertificaat (“ABC”) met betrekking tot de stof olanzapine, een antipsychoticum dat gebruikt wordt voor aandoeningen van het centrale zenuwstelsel. Geneesmiddelen bevattende olanzapine worden door Eli Lilly op de markt onder het merk Zyprexa. Het ABC van Eli Lilly heeft gelding t/m 11 september 2011.

Ratiopharm heeft een marktvergunning voor generieke olanzapine ingediend middels de zgn. (Europese) gecentraliseerde procedure, en daarbij onder meer registratie gevraagd voor Nederland. Ratiopharm is echter nog niet op de markt met generieke olanzapine in Europese landen waar Eli Lilly octrooirechten kan doen gelden.

Eli Lilly heeft Ratiopharm gesommeerd toe te zeggen dat zij hangende de geldigheid van het octrooi en het ABC niet in Nederland met generieke olanzapine-producten op de markt zal komen. Concrete aanleiding voor het kort geding vormt de weigering van Ratiopharm deze toezegging te doen.

Volgens de voorzieningenrechter wordt onvoldoende concrete dreiging van inbreuk aanwezig geacht die een verbod zou kunnen dragen. De voorzieningenrechter wijst erop dat volgens vaste rechtspraak het enkele voorhanden hebben (of aanvragen) van marktvergunning voor een geneesmiddel zonder bijkomende, concrete omstandigheden die aannemelijk maken dat Ratiopharm voornemens is inbreukmakende generieke producten op de markt te brengen hangende de geldigheidsduur van het octrooi en het ABC, onvoldoende dreiging tot inbreuk behelst, zodat alsdan niet op die enkele omstandigheid van een voorhanden marktvergunning een verbod in kort geding kan worden verkregen. Het hebben of aanvragen van een marktvergunning is geen octrooirechtelijk voorbehouden handeling.

Bedoelde bijkomende omstandigheden worden afwezig geacht. Ratiopharm heeft aangegeven geen concrete plannen te hebben om hangende de geldigheidsduur van Eli Lilly’s exclusieve rechten op de markt te komen en elders in Europa doet zij dat ook niet. Het niet willen doen van een (geclausuleerde) toezegging tot non-inbreuk door Ratiopharm gedurende Eli Lilly’s exclusieve rechten, biedt geen concrete dreiging van inbreuk. Gelet op de omstandigheid dat geen sprake is van voorafgaande daadwerkelijke inbreuk, is een dergelijke toezegging niet iets, waarop Lilly aanspraak kan maken.
De voorzieningenrechter overweegt: “Er bestaat rechtens geen algemene aanspraak op het schriftelijk door derden (of concurrenten) laten bevestigen van een ieders absolute rechten  (…). Een weigering zulks te doen creëert mitsdien been (spoedeisend) belang om dat in kort geding af te dwingen, althans niet zonder bijkomende omstandigheden, die, zo ligt in het vorenoverwogene besloten, voorshands afwezig worden geacht.”

De vorderingen van Eli Lilly worden afgewezen. Conform een tussen partijen gemaakte afspraak ter over de over en weer te vorderen proceskosten wordt Eli Lilly veroordeeld in de proceskosten van Ratiopharm ter hoogte van € 110.000.

Lees het vonnis hier.

IEF 5960

Erga Omnes

bln.gifRechtbank ’s-Gravenhage, 19 december 2007, HA ZA 05-681 & HA ZA 06-1589, Fleuren Presspack B.V. tegen V.O.F. Handelsonderneming Ruvo, vice versa.

Octrooirecht. Wel gemeld, maar nog niet besproken. Octrooi dat eerder deels vernietigd is, wordt voor het resterende deel geldig geacht bij gebrek aan nieuwe feiten. Gedeeltelijk vernietiging heeft werking Erga Omnes. Inbreuk op resterende deel, ondanks extra maatregel inbreukmaker.

Fleuren exploiteert een onderneming die onder andere ruwvoeders in kleinverpakking, bestemd voor huisdieren, produceert. Ruvo exploiteert een onderneming die zich onder andere bezig houdt met de exploitatie van ruwvoeders voor dieren. Zij is houdster van het Europees Octrooi 0 958 133 (hierna ‘EP 133’ of ‘het octrooi’). EP 133 is verleend voor ‘feed as well as an apparatus and a method for producing feed’.

EP 133 heeft eerder ter toetsing voorgelegen. Dit was in een procedure tussen Ruvo en Ceres Diervoeding. In die procedure waren de feiten en gronden dezelfde als in de onderhavige procedures. De procedure tussen Ruvo en Ceres heeft geleid tot een arrest van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 17 augustus 2006 (zie IEF 2633). Daarin heeft het hof conclusie 1 van het Nederlandse deel van EP 133 vernietigd wegens het ontbreken van inventiviteit.

Het hof heeft overwogen dat Ruvo kennelijk van oordeel is dat het wezen van de geoctrooieerde uitvinding gelegen is in de materie van conclusie 1 aangevuld met die van conclusie 2. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de materie van conclusies 2 niet in de nabije stand van de techniek wordt geopenbaard. Het hof verbindt aan die overwegingen de gevolgtrekking dat in een nieuwe hoofdconclusie de materie van de aanvankelijk verleende conclusies 1 en 2 kan worden gecombineerd

Na te hebben geconcludeerd dat de aldus geformuleerde conclusie nieuw en inventief is te achten, overweegt het hof dat de maatregel volgens de huidige conclusie 2 de aanvulling is, die kort gezegd, aan de criteria van het Spiro /Flamco-arrest voldoet. Het hof heeft voorts inrichtingsconclusie 11 vernietigd. Ceres heeft tegen het arrest van het hof van 17 augustus 2006 beroep in cassatie ingesteld. Dit beroep is inmiddels ingetrokken.

Ruvo B.V. vordert een inbreukverbod voor alle gedesigneerde landen met nevenvorderingen alsmede schadevergoeding/ winstafdracht, op straffe van een dwangsom en met een kostenveroordeling. Fleuren vordert vernietiging van het Nederlandse deel van EP 133.

De rechtbank heeft in haar tussenvonnis (zie IEF 3595) reeds geoordeeld dat de eisende partijen ontvankelijk zijn maar dat zij voor wat betreft de nietigheid niet grensoverschrijdend bevoegd is. Nu het tegen het arrest van het hof ingestelde cassatieberoep is ingetrokken, is dat arrest in kracht van gewijsde gegaan. Dit betekent dat de rechtbank in het kader van de onderhavige procedures heeft uit te gaan van de conclusies zoals het hof die heeft geredigeerd. Omdat het arrest van het hof erga omnes werking heeft, voor zover het hof het octrooi gedeeltelijk heeft vernietigd, heeft Fleuren geen belang meer bij een oordeel van de rechtbank ten aanzien van de inmiddels vernietigde delen van EP 133.

Voor zover het gevorderde (tevens) betrekking heeft op het octrooi zoals dat na de gedeeltelijke vernietiging is geredigeerd, is de rechtbank niet gebleken van andere (relevante) feiten en gronden dan die het hof in het arrest van 17 augustus 2006 heeft betrokken. EP 133 is dus, in aangepaste vorm, nieuw en inventief.

Het inbreukverweer van Fleuren houdt in dat zij een derde persslag toepast. Gelijk het hof in zijn arrest van 17 augustus 2006 heeft overwogen vermeldt conclusie 1, als aangepast, niets over een persslag in de lengterichting. Een derde persslag in de lengterichting is derhalve niet uitgesloten. Conclusie 1 vereist slechts dat de vezels evenwijdig aan de snijvlakken zijn samengeperst en dat in de verpakte baal de vezels veerkrachtig tegen de gesloten kunststoffolie zijn geëxpandeerd. Fleuren heeft niet betwist dat dit ook bij haar product het geval is. De rechtbank is daarom met het hof van oordeel dat het product van Fleuren beantwoordt aan de maatregelen van de nieuw geformuleerde hoofdconclusie.

Het gevorderde verbod inbreuk te maken op EP 133 kan beperkt tot Nederland worden toegewezen. Fleuren heeft geen specifiek verweer gevoerd tegen de gevorderde opgave van afnemers, de recallbrief, de vordering tot vernietiging en de accountantsverklaring voor de gemaakte winst zodat dit kan worden toegewezen. Ook de gevorderde nader bij staat op te maken schadevergoeding en/of winstafdracht zal beperkt zijn tot Nederland. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat de mogelijkheid aannemelijk is dat Ruvo B.V. enige schade heeft geleden. Dat zij, gelijk Fleuren stelt, gedurende een jaar en drie maanden nadat Fleuren aankondigde haar product te gaan vermarkten, niets heeft ondernomen, staat niet aan toewijzing van schadevergoeding in de weg. Niet bestreden is dat Fleuren op 27 juli 2004 door Ruvo is gesommeerd om de inbreuk op het octrooi te staken, zodat Fleuren vanaf dat moment schadeplichtig is. De rechtbank overweegt verder dat schadevergoeding en winstafdracht niet onbeperkt kunnen cumuleren. Cumulatie van winstafdracht met eventuele overige schadeposten (waardevermindering octrooirecht en bijvoorbeeld buitengerechtelijke kosten) is wel mogelijk.  


Lees het vonnis hier.

IEF 5949

Primus ex parte in rei patenti

kip.gifRechtbank ‘s-Gravenhage 1 april 2008, KG RK 08/0517, Meijn Food Processing Technology B.V. tegen Tieleman Food Equipment B.V. c.s.

Eerste ex parte verbod in een octrooizaak.

Het verzoekschrift van verzoekster luidt samengevat als volgt: Meijn is rechthebbende op een Europees octrooi voor een inrichting voor het bewerken van gevogelte. Meijn heeft in 1998 aan Tieleman Food een desbewustheidsexploit uitgebracht terzake van het octrooi. Een directeur van de bestuurder van Tieleman Food heeft tijdens een beurs aan de directeur van Meijn laten weten dat in weerwil van het octrooi een inrichting is verkocht en geleverd, althans dat het voornemen bestaat dat op krote termijn te doen dat voldoet aan de kenmerken van het octrooi. Tieleman heeft deze inrichting direct dan wel indirect door Linco Benelux verkocht aan Remkes. Aldus maken deze partijen inbreuk op de uitsluitende rechten van Meijn terzake van het octrooi.  Bovendien plegen Tieleman Food en Linco Benelux indirecte octrooi-inbreuk. Meijn ondervindt hierdoor onherstelbare schade. Tegen deze achtergrond vordert Meijn een inbreukverbod.

De Voorzieningenrechter neemt bevoegdheid aan omdat het een octrooizaak is en gerekwestreerden in Nederland zijn gevestigd. Vervolgens staat de Voorzieningenrechter het verzoek toe met dien verstande dat ten aanzien van een van de gerekwestreerden een aanzienlijk later ingangsmoment van het verbod zal worden bepaald. De Voorzieningenrechter beoogt hiermee de ingrijpende consequentie van het ex parte verbod te beperken en de betreffende gerekwestreerde de gelegenheid te bieden gebruik te maken van de gereserveerde datum voor de in artikel 1019e Rv voorziene herziening dan wel voor het treffen van een regeling.

Lees het vonnis hier.

IEF 5869

Van blikken, flessen en artikel 69

ree.gifRichard E. Ebbink (Brinkhof Advocaten):Van blikken, flessen en artikel 69. Noot bij Gerechtshof ’s-Gravenhage, 21 februari 2008, rolnr. 06/669, IEF 4386, Meadwestvaco Packaging Sytems LLC. Tegen A & R Carton B.V. 

Deze noot bevat commentaar op het inbreukoordeel van het hof uit dit recente arrest. Dat oordeel is niet conform het al dertig jaar uniforme ‘Europese’ inbreukrecht. De kritiek geldt niet de nietigheidsredenering van het hof.

“Het fundamentele probleem met deze redenering is dat het hof niet heeft onderzocht, laat staan aan de hand van artikel 69 EOV onderzocht, wat de beschermingsomvang is van conclusie 1 van het octrooi, dat wil zeggen inclusief het blikken-kenmerk.

Wat wij wel weten is dat het hof er kennelijk niet in wilde berusten dat in de claim vanaf de aanvrage sprake is geweest van blikken en dat flessen nu eenmaal geen blikken zijn.

Haalt het hof het betrokken element (“containing a plurality of cans”) weg uit de conclusie, omdat het element niet “essentiëel” zou zijn? Wie een conclusie van een beperking ontdoet, verruimt de beschermingsomvang van zo’n conclusie. Dat is verboden op grond van artikel 123-3 EOV. Dit artikel – een nietigheidsgrond – bepaalt dat een Europees octrooi niet zodanig mag worden geamendeerd dat de beschermingsomvang wordt uitgebreid.”

Lees de gehele noot hier.

IEF 5863

All this is deeply regrettable

ep750.gifIn aansluiting op het vonnis van de Rechtbank Den Haag van 12 maart in de zaak van de Europese Centrale Bank tegen Document Security Systems, Inc, de pan-Europese octrooizaak over de Eurobiljetten (zie IEF 5801):

The Supreme Court Of Judicature Court Of Appeal (Civil Division), 19 maart 2008, case no: A3/2007/0879, European Central Bank v. Document Security Systems Incorporated.

“On 12 March 2008 the Dutch Court agreed with the German Court. In sporting terms, the score is currently 2-2 to the ECB at first instance level.

All this is deeply regrettable. It illustrates yet again the need for a one-stop patent shop (with a ground floor department for first instance and a first floor department for second instance) for those who have Europe-wide businesses."

(…) 51. The Judge gave his reasons for holding that there was added matter at [131-136]. He particularly dealt with the notion of implicit disclosure from the [0008].

He said: “[134] Fourth, the application does describe the accidental fashion in which the invention was made. It is apparent from this description that there was some sort of interaction between the first image created by the copier and the mechanism of the copier when a further copy was made. But it is not clear whether that interaction was caused by the grid imposed by the output printer of the copier or the grid imposed by the scanning mechanism or by a mixture of the two. Nor does the application suggest that this aspect of the way the invention was made forms part of the teaching as to how it is to be performed.”

52. We do not think that summary of the position can be bettered. It is the reason why this appeal should be dismissed.”

Lees de uitspraak hier.

IEF 5859

En nog meer verse rechtspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage, 19 maart 2008, HA ZA 05-2885 en HA ZA 06-2576, Monsanto Technology LLC tegen Cefetra B.V. c.s en de Staat Argentinië resp. Monsanto Technology LLC tegen Vopak Agencies Rotterdam B.V. en Alfred C. Toepfer International GmbH(met dank aan John Allen, NautaDutilh).

Octrooirecht. Sojabonen en biotechnologie. “De rechtbank heeft het voornemen de navolgende vragen over de uitleg van artikel 9 van de Richtlijn voor te leggen aan het Hof.

I. Moet artikel 9 van de Richtlijn [Biotechnologie – IEF]  aldus worden opgevat dat de in dat artikel geboden bescherming ook  dan kan worden ingeroepen in een situatie zoals in deze procedure, waarin het voortbrengsel (hei DNA) is verwerk in een materiaal en zijn functie op het moment van de gestelde inbreuk niet uitoefent, maar wel heeft uitgeoefend of mogelijk, nadat het uit dat materiaal is geïsoleerd en in de cel van een organisme is ingebracht, opnieuw zijn functie zou kunnen uitoefenen?

2. Uitgaande van de aanwezigheid van de in conclusie 6 van het octrooi beschreven DNA-sequentie in het door Cefetra en ACTI in de Gemeenschap  geïmporteerde sojameel en ervan uitgaande dat het DNA in de zin van artikel 9 Richtlijn is verwerkt in sojameel en dat het daarin zijn functie niet meer uitoefent:

staat de door de Richtlijn voorgeschreven bescherming van een octrooi voor biologisch materiaal, in het bijzonder artikel 9, eraan in de weg dat de nationale octrooiwetgeving (daarnaast) absolute bescherming toekent aan het voortbrengsel (het DNA) als zodanig, ongeacht of het DNA zijn functie uitoefent, en moet de bescherming van artikel Y dus geacht worden uitputtend te zijn?

3. Maakt het bij de beantwoording van de vorige vraag verschil dat het octrooi is aangevraagd en verleend (op 19 juni 1996) voordat de Richtlijn was vastgesteld? Kunt u bij de beantwoording van de voorgaande vragen het TRIPss-verdrag betrekken, in het bijzonder de artikelen 27 en 30?”

Lees het vonnis hier.

Rechtbank Amsterdam, 19 maart 2008, HA ZA 07-1453, T-Mobile Nethelands B.V. tegen Telfort B.V.(met dank aan Marc de Kemp, Houthoff Buruma). 

Reclamerecht. Telecomreclame. “Ook de gesponsorde links in advertenties op het internet en banners zijn misleidend, met inachtneming van hetgeen hiervoor reeds is overwogen. Dat de bezoeker door het aanklikken van d elink meer duidelijkheid verkrijgt doordat deze op de site van Telfort terceht komt maakt een en ander niet anders, alleen al omdat niet iedereen dat zal doen.”

Lees het vonnis hier.

IEF 5847

Eerst even voor jezelf lezen

Rechtbank Rotterdam, 13 september  2006 (publicatie 11 maart 2008),  LJN: BC6248 en
Rechtbank Rotterdam, 30 januari 2008, LJN: BC6240. De stichting eiseres tegen Nederlands Gedaagde sub 1 en Instituut Voor Innovatieve Oogheelkundige Chirurgie B.V.

Rotterdams octrooirecht. Tussenvonnis uit 2006 en eindvonnis uit 2008. Eindvonnis na deskundigenbericht, octrooirecht, kenmerkende elementen 

“2.2. Naar het oordeel van het Octrooicentrum zijn als kenmerkende elementen van de uitvinding, zoals omschreven in de eerste Europese octrooiaanvraag d.d. 8 mei 1998 (hierna: het prioriteitsdocument) en zoals later weergegeven in het Europese octrooi 1075285 (hierna: EO 285), de keuze voor een selectieve groep kleurstoffen, waaronder trypaan blauw, voor het visualiseren van het voorste lenskapsel tijdens een capsulorhexis in cataract operaties en was deze uitvinding in essentie reeds in december 1996 bereikt. Op het moment dat duidelijk was welke handelingen nodig zijn om het bereikte resultaat te bereiken, was de uitvinding in octrooirechtelijke termen “nawerkbaar”. (…)

2.3 Gelet op dit oordeel is in rechte vast komen te staan dat de uitvinding is bereikt in december 1996, derhalve vóór de aanstelling van gedaagde sub 1 als cornea-fellow bij het eiseres/OZR, zodat gedaagde sub 1 en niet eiseres van aanvang af rechthebbende is geweest op de uitvinding. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 24 november 2004 (m.n. onder 5.6) en bij tussenvonnis van 13 september 2006 onder 2.6 daaraan reeds de consequentie verbonden dat gedaagde sub 1 een beroep op (wederzijdse) dwaling toekomt en derhalve de verklaring van overdracht en daarmee de royalty afspraken nietig zijn.”

Lees het tussenvonnis hier en het eindvonnis hier.

IEF 5801

Uit kromlijnige lijnen, stippen en/of wervels

ep750.gifRechtbank ’s-Gravenhage, 12 maart 2008, HA ZA 06-2495, De Europese Centrale Bank tegen Document Security Systems, Inc.

Pan-Europese octrooizaak. Octrooi-inbreuk door Euro-bankbiljetten? Dat is nog niet gezegd, wel dat het octrooi waarop inbreuk gemaakt zou kunnen zijn geldig is, althans wat het Nederlandse deel betreft. En in het kader van de boekenweek: Gratis inleiding druktechniek van een pagina of zes.

Gedaagde DSS is houdster van het Europees octrooi dat betrekking heeft op een “Method of making a nonreplicable document (in – niet geheel correcte, Rb. – vertaling: ‘Niet kopieerbaar document en werkwijze voor het maken daarvan’)”. Kort gezegd heeft de uitvinding betrekking op een druktechniek voor het vervaardigen van een document waardoor het niet betrouwbaar kan worden nagemaakt met een kopieerinrichting van het aftasttype (scanning type copier).

Voorafgaand aan deze zaak, in 2005, heeft DSS eiser i.c. ECB gedagvaard voor het Gerecht van Eerste Aanleg, aanvoerend dat de ECB met de productie van Euro bankbiljetten inbreuk maakt haar octrooi. Het Gerecht van Eerste Aanleg heeft DSS in haar vorderingen ter zake van octrooi-inbreuk niet-ontvankelijk verklaard omdat slechts de nationale rechter bevoegd is van de octrooiinbreukvorderingen kennis te nemen. Lees die beschikking hier.

De ECB vordert i.c. vernietiging van het octrooi voor Nederland. Aan haar vordering legt de ECB ten grondslag dat het octrooi nietig is omdat het onderwerp van het octrooi niet wordt gedekt door de inhoud van de oorspronkelijke aanvrage, de uitvinding niet nieuw is en bovendien uitvindingshoogte mist.

De ECB heeft in een negental landen nietigheidsprocedures tegen het octrooi geïnitieerd. Het octrooi is ondertussen voor het VK en Frankrijk nietig verklaard en voor Duitsland in stand gehouden. Een niet-relevante niet-juridische conclusie is dat met instandhouding van het Nederlandse deel in de onderhavige zaak de stand dus nu 2-2 is.

Ook met het oog op het internationale karakter van het geschil komt de rechtbank met een uitgebreide motivering van haar oordeel. Er wordt verwezen naar de andere nationale beslissingen, en dan vooral de Britse, en om het geheel wat inzichtelijker te maken geeft de rechtbank een eigen inleiding van een pagina of zes in de (druk)technieken waar het i.c. om gaat.

Nietigheidsgronden

De bezwaren van de ECB tegen het octrooi (het onderwerp van het octrooi niet wordt gedekt door de inhoud van de oorspronkelijke aanvrage, de uitvinding niet nieuw is en mist bovendien uitvindingshoogte) worden door de rechtbank één voor één afgewezen.

1. Toegevoegde materie – 123 lid 2 EOV jo. artikel 75 lid 1 onder c Rijksoctrooiwet 1995:

Uitgangspunt is dat een octrooiaanvrage niet zodanig gewijzigd mag worden dat het onderwerp niet meer gedekt wordt door de inhoud van de aanvrage zoals ingediend. Volgens de rechtbank is daar i.c. geen sprake van.

“4.47. De hiervoor weergegeven passages in de beschrijving komen overeen met de inhoud van de in conclusie 13 geclaimde materie. De [toegevoegde - IEF] deelkenmerken F en G waarbij het rasterpatroon over het originele beeld wordt gelegd voor het op het document voortbrengen van een gedrukte afbeelding omvattende de oorspronkelijke afbeelding met een daarboven geplaatst overgebracht of ondoorgankelijk gemaakt drukpatroon in overeenstemming met het rasterpatroon en waarin het drukpatroon normaal niet met het blote oog te onderscheiden is, zodanig dat het originele beeld en het gedrukte beeld voor het blote oog algemeen hetzelfde lijken, zijn daarmee directly and unambiguously geopenbaard.

4.48. (…) Anders dan de Engelse en Franse rechter is deze rechtbank van oordeel dat de gemiddelde vakman (..) de deelkenmerken F en G zonder meer zou begrijpen uit de op pagina’s 7-9 van de oorspronkelijke aanvrage beschreven gevonden print methode voor het vervaardigen van een oorspronkelijk beveiligd document (replicant document) en de verdere kopieën gemaakt met een kopieerinrichting van het aftasttype in verbinding met conclusie 13.

4.49. De stelling van ECB dat het teruggrijpen op bepaalde passages uit de beschrijving in combinatie met conclusie 13 een niet toegestane mozaïek-methode ( zou zijn om alsnog dekking voor de gewijzigde conclusie te vinden, wordt verworpen.  De ruimer geformuleerde oorspronkelijke conclusies die zien op het op verschillende manieren vervaardigen van een niet betrouwbaar te reproduceren document, weerhouden de aanvrager er niet van tijdens de verleningsprocedure te verwijzen naar die delen van de beschrijving waarin kenmerken worden beschreven die de aanvrager naar de claim wenst over te brengen.

Dat zou anders zijn indien de door het EOB hiervoor gegeven kaders (zie r.o. 4.27) te buiten zouden worden gegaan namelijk indien de positie van de octrooihouder op ongerechtvaardigde wijze wordt verbeterd of indien de rechtszekerheid van derden in het gedrang komt, maar daarvan is het onderhavige geval geen sprake. 

De voorkeur van de aanvrager voor een werkwijze met kenmerken F en G valt voldoende duidelijk en ondubbelzinnig uit de oorspronkelijke aanvrage af te leiden, gelet op de neerlegging daarvan in een volgconclusie en de bewoordingen van de hierboven aangehaalde passages. Van een niet geopenbaarde en aldus ongeoorloofde selectie van kenmerken uit de aanvrage is dan ook geen sprake.

4.50. Het beroep op de nietigheid van conclusie 1 wegens toegevoegde materie wordt derhalve verworpen.”

2. Gebrek aan nieuwheid (artikel 75 lid 1 onder a ROW 1995 jo. artikelen 52 en 54 EOV):

“4.52. Het beroep dat de uitvinding openbaar is gemaakt in het Zwitserse en Britse bankbiljet wordt verworpen. In feite heeft ECB dit beroep slechts onderbouwd door te stellen dat achteraf kan worden geconstateerd dat een kleurenkopie gemaakt met een laser kleurkopieermachine van het type Canon 700L (300 dpi) duidelijke wijzigingen in het originele beeld laat zien die zichtbaar zijn met het blote oog.   (…) Die stelling leidt evenwel geenszins tot de conclusie dat de in EP 750 geclaimde werkwijze door middel van de bankbiljetten is openbaar gemaakt: de werkwijze valt immers niet te herleiden uit de bankbiljetten als zodanig.

Ook het beroep op anticipatie door een Brits octrooi (GB 011) verworpen. Het document is niet nieuwheidsschadelijk.

3. Gebrek aan inventiviteit (artikel 75 lid 1 onder a ROW 1995 jo. artikel 56 EOV):

Noch het genoemde Brits octrooi, noch andere octrooien en artikelen doen af aan de inventviteit van het litigieuze octrooi. De gemiddelde vakman had op de prioriteitsdatum geen diepgaande kennis van de werking van scanning type copiers en geen van de genoemde documenten bevat aanwijzingen dat de gemiddelde vakman tot een uitvinding als die van het octrooi had kunnen komen. Ook de combinatie van een of meer van deze documenten doet aan de uitvindingshoogte van het octrooi geen afbreuk.

De ECB stelt ten slotte nog dat conclusie 2 nietig zou zijn wegens gebrek aan inventiviteit en de conclusies 3 en 4 nietig zouden zijn wegens niet-nawerkbaarheid althans toegevoegde materie.

“4.62 (…) Die stellingen worden gepasseerd. Ten aanzien van conclusie 2 geldt dat deze afhankelijk is van de inventieve conclusie, zodat de inventiviteit gegeven is. Wat betreft de bezwaren ten aanzien van de conclusies 3 en 4 geldt dat de daarvoor ontwikkelde argumentatie in het licht van het verweer van DSS onvoldoende is onderbouwd, zodat die bezwaren worden verworpen.”

De slotsom luidt dat het octrooi geldig is zodat de door ECB gevorderde vernietiging daarvan moet worden afgewezen.

Nu de vorderingen aanhangig zijn gemaakt voor de implementatiedatum van de Handhavingsrichtlijn (Richtlijn 2004/48/EG) zullen de proceskosten conform het liquidatietarief worden vastgesteld.

Lees het vonnis hier.