Gepubliceerd op dinsdag 28 april 2026
IEF 23503
Rechtbank Den Haag ||
22 apr 2026
Rechtbank Den Haag 22 apr 2026, IEF 23503; C/09/696283 ((Pop Mart c.s. tegen Erik Fruit)), https://lsenr.minab.nl/artikelen/rb-den-haag-buitenlandse-eiser-hoeft-geen-zekerheid-te-stellen-bij-voldoende-verhaal-in-nederland

Paul Trapman, Ploum.

Rb. Den Haag: buitenlandse eiser hoeft geen zekerheid te stellen bij voldoende verhaal in Nederland

Rb. Den Haag 22 april 2026, IEF23503; C/09/696283 (Pop Mart c.s. tegen Erik Fruit). De Rechtbank Den Haag heeft in een incident ex artikel 224 Rv geoordeeld dat de buitenlandse Pop Mart-entiteiten geen zekerheid hoeven te stellen voor proceskosten in een lopende IE-inbreukzaak tegen Erik Fruit uit Rotterdam. In de hoofdzaak staan Pop Mart c.s. tegenover Erik Fruit. Pop Mart is producent van zogenoemde “designer toys”, waaronder het figuurtje Labubu, en stelt rechthebbende te zijn op diverse merken (POP MART, THE MONSTERS en LABUBU) en de bijbehorende auteursrechten. Volgens Pop Mart heeft Erik Fruit inbreuk gemaakt door de levering van namaakproducten, aangeduid als “Lafufu’s”, aan supermarktketen Jumbo. In dat verband vordert zij onder meer een verklaring voor recht, een inbreukverbod, schadevergoeding, opgave van gegevens en volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv. Erik Fruit betwist de gestelde inbreuken, verzoekt om matiging van een eventuele schadevergoeding tot € 14.000 en heeft in reconventie onder meer gevorderd dat Pop Mart op grond van artikel 22 Rv schikkingsovereenkomsten met Jumbo-franchisenemers overlegt. In het incident vordert Erik Fruit dat de in Singapore en China gevestigde Pop Mart-entiteiten zekerheid stellen voor de proceskosten tot een bedrag van € 25.000. Volgens Erik Fruit zijn deze vennootschappen buiten de Europese Unie gevestigd en vallen zij niet onder de werking van de EEX-Verordening, terwijl evenmin een verdrag bestaat dat de tenuitvoerlegging van een Nederlandse proceskostenveroordeling in Singapore en China waarborgt, zodat sprake is van een reëel verhaalsrisico.

Pop Mart c.s. beroept zich op de uitzondering van artikel 224 lid 2, aanhef en onder c, Rv en voert aan dat verhaal zonder problemen mogelijk is op Pop Mart Netherlands B.V., die in Nederland is gevestigd, een geplaatst kapitaal van € 100.000 heeft en vier winkels exploiteert met bijbehorende activa, zoals voorraad en liquide middelen. Daarnaast wijst zij erop dat een proceskostenveroordeling jegens meerdere partijen in beginsel hoofdelijke verbondenheid meebrengt. De rechtbank stelt voorop dat artikel 224 lid 1 Rv buitenlandse eisers in beginsel verplicht tot het stellen van zekerheid, tenzij een van de uitzonderingen van lid 2 van toepassing is. Onder verwijzing naar het arrest van de HR 23 december 2022 overweegt de rechtbank dat bij een proceskostenveroordeling van meerdere partijen als uitgangspunt geldt dat zij hoofdelijk verbonden zijn. Dit betekent dat Erik Fruit zich voor de volledige proceskosten kan verhalen op één van de veroordeelde partijen, waaronder de in Nederland gevestigde Pop Mart Netherlands B.V. Gelet op de door Pop Mart aangevoerde omstandigheden acht de rechtbank het aannemelijk dat verhaal in Nederland tot een bedrag van € 25.000 mogelijk is. Daarmee slaagt het beroep op de uitzondering van artikel 224 lid 2, aanhef en onder c, Rv en wordt de vordering tot zekerheidstelling afgewezen. De beslissing over de kosten van het incident wordt aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. In de hoofdzaak is de zaak verwezen naar de rol voor het opgeven van verhinderdata in de periode juni tot en met december 2026 ten behoeve van een mondelinge behandeling, terwijl Pop Mart c.s. op 3 juni 2026 nog een conclusie van antwoord in reconventie dient te nemen; verdere beslissingen zijn aangehouden.

6.1. Voor zover de vorderingen van Pop Mart c.s. gegrond zijn op gestelde inbreuk op haar Uniemerken, volgt de (internationale en relatieve) bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van deze vorderingen uit artikel 123 lid 1. artikel 124 onder a en 125 lid 1 UMVo in verbinding met artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Gemeenschapsmerk, nu Erik Fruit in Nederland is gevestigd. Ingevolge artikel 126 lid 1 UMVo strekt de bevoegdheid van de rechtbank zich uit tot het grondgebied van de hele Europese Unie. Voor zover de vorderingen van Pop Mart c.s. gebaseerd zijn op een haar toekomend auteursrecht is de rechtbank bevoegd, omdat deze vorderingen verknocht zijn aan de merkenrechteljke vorderingen. Ook deze bevoegdheid strekt zich uit tot alle lidstaten van de Europese Unie. Voor zover de vorderingen van Pop Mart c.s. gebaseerd zijn op onrechtmatige daad is de rechtbank bevoegd, alleen al omdat haar bevoegdheid niet is bestreden.

6.2. Artikel 224 lid 1 Rv bepaalt dat allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen (...). verplicht zijn op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij zouden kunnen worden veroordeeld.

6.3. Pop Mart c.s. heeft een beroep gedaan op artikel 224 lid 2 sub c Rv en daartoe gesteld dat Erik Fruit met een eventuele proceskostenveroordeling ten laste van Pop Mail c.s. zonder moeite verhaal kan halen bij de, in Nederland gevestigde, eiseres Pop Mail NL. Ter onderbouwing voert Pop Mart c.s. aan dat eiseres Pop Mail NL in Nederland gevestigd is (Hoofddorp), een geplaatst kapitaal heeft van € 100.000,- en vier winkelvestigingen in Nederland heeft (Utrecht. Rotterdam, Amsterdam Kalverstraat en Amsterdam Nieuwendijk), waaronder voorraad en liquide middelen, terwijl de populariteit bij die winkels enorm is. Dat de twee andere eiseressen niet in Nederland zijn gevestigd, maakt niet dat alsnog zekerheid gesteld moet worden, omdat ingeval Pop Mail c.s. in de proceskosten veroordeeld zou worden, dit zou zijn op basis van een hoofdeljke veroordeling.

6.4 De rechtbank is van oordeel dat de argumenten van Pop Mart c.s. voldoende overtuigend zijn. Bij een jegens meerdere partijen uitgesproken proceskostenveroordeling is als uitgangspunt ieder van die partijen voor het geheel aansprakelijk en zijn zij dus hoofdelijk verbonden. Dit geldt ongeacht of de in het gelijk gestelde partij dit heeft gevorderd of verzocht. In casu betekent dit dat Erik Fruit zich, mocht Pop Mart c.s. in deze procedure in het ongelijk worden gesteld, ter zake zo nodig kan verhalen op de wél in Nederland gevestigde Pop Mail NL. Gelet op datgene wat Pop Mart c.s. heeft aangevoerd, is redelijkerwijs aannemelijk dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van de proceskosten (door Erik Fruit begroot op een bedrag van € 25.000,-) in Nederland (namelijk bij Pop Mail NL) mogelijk zal zijn. Het beroep van Pop Mail c.s. op de uitzondering van artikel 224 lid 2 sub c Rv slaagt dan ook.